| Traditioneel jaarklassen- systeem in groepen |
Fasenonderwijs | Nieuwe groeperings- vormen |
Kenmerkend |
| 1 | Instroomperiode | Fase 1/2/3 | Alles is een ontdekking in deze groep. Wennen aan school, klasgenoten en ritme maar zeker ook de verwondering die hoort bij bijv. ontluikende geletterd- en gecijferdheid. |
| Fase 1 | |||
| Fase 2 | |||
| 2 | Fase 3 | ||
| Fase 4 | Fase 4/5 | Groeiende interesse in- en manipulatie met cijfers en letters. Leren van alle letters en klanken. Lezen van eenvoudige woordjes. | |
| 3 | Fase 5 | ||
| Fase 6 | Fase 6/7 | De basisvaardigheden bij lezen en rekenen worden veelvuldig geoefend zodat ze uiteindelijk automatisch toegepast kunnen worden. | |
| 4 | Fase 7 | ||
| Fase 8 | Fase 8/8+ | ||
| Fase 8+ |
| • | Elk kind is anders: we proberen zoveel mogelijk rekening te houden met de verschillen tussen kinderen wat betreft werktempo, aanleg,
interesse en instructiebehoefte. Er zijn echter ook overeenkomsten tussen kinderen. We trachten zoveel mogelijk rekening te houden met de behoeften van elk kind aan autonomie, competentie en relatie en een uitdagende leeromgeving met voldoende prikkels daagt het kind uit tot leren. |
| • | Elk kind moet succeservaringen op kunnen doen, dus de taak moet passen bij het kind en niet andersom. De rol van de leerkracht is het kind te begeleiden in zijn natuurlijke ontwikkeling. Begeleiding dient vooral gericht te zijn op het leerproces, en niet op de controle van het product. Elk kind moet, voor zover mogelijk, keuzes kunnen maken m.b.t. de manier waarom hij de doelen bereikt. Als kinderen samenwerken en elkaar helpen leren ze veel van elkaar. “Voorzeggen” is niet erg, voordoen en nadoen is een belangrijke werkvorm bij het verwerven van kennis! Kinderen kunnen veel van elkaar leren, daarom wordt er regelmatig gewerkt met een maatje. |
| • | Elke fase heeft zijn eigen “leerstofpakket” Dit pakket omvat behalve cognitieve doelen ook doelen op het gebied van o.a. motoriek, werkhouding
en de sociaal emotionele ontwikkeling. Het leerstofpakket heeft een duidelijke structuur met een heldere opbouw en voldoende oefeningen voor
alle typen kinderen.
De stof is verdeeld in overzichtelijke porties, zodat zowel de leerkracht als de kinderen weten op welk punt van de “leerweg” het kind zich
bevindt.
Elke stap wordt afgesloten met een toetsmoment. Er is een duidelijke streeflijn uitgezet, die duidelijk maakt op welk punt van de leerweg een kind op een bepaald moment zou moeten zijn, zodat eventuele problemen en stagnaties in de ontwikkeling vroegtijdig worden gesignaleerd. Een kind dat de stof nog niet beheerst, krijgt voldoende tijd, oefening en hulp om de stap ook onder de knie te krijgen. Wat je al weet hoef je niet meer te leren, dus als je de leerstap beheerst mag je verder met de volgende. |
| • | De organisatie van het onderwijs is zo ingericht dat de leerkracht zoveel mogelijk tijd kan besteden aan de begeleiding van de kinderen.
Om dit te realiseren wordt er regelmatig zelfstandig gewerkt. Materialen worden goed opgeborgen en zijn voor iedereen terug te vinden. De inrichting van het lokaal en de gangen is functioneel en geschikt gemaakt voor het werken met kleinere groepjes. |